XI.
In 'tmidden 'tgroot verwoedt van d'opgheswollen baren,
Door clippen groot en cleyn, wordt vanden snellen windt
Mijn broos schip hoogh en leegh ghedreuen en gheswindt,
En noch ontsiet hem niet den schipper voordt te varen.
Want hy (o suyuer sterr') door u bly lichts verclaren
De hauen seker heeft: doch onder wegh' hy vindt
Hem dickwils noch in noodt, waer door hy iet beghint
Te twijfelen, en soo leeft hy in groot beswaren.
Maer hy betrouwt hem vast, dat door u selsaem cracht
De zee eens stillen sal; want u ghesicht versacht
Haer dulle rasernij, en seer vervaerlijck tieren.
En dat ghy, ionstigh, sult veranderen in soet
Al 'tvoorgheleden leedt, en met ghewenschten spoedt
'tByna-versoncken Schip ter goeder hauen stieren.