Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

XI.

In 'tmidden 'tgroot verwoedt van d'opgheswollen baren, Door clippen groot en cleyn, wordt vanden snellen windt Mijn broos schip hoogh en leegh ghedreuen en gheswindt, En noch ontsiet hem niet den schipper voordt te varen. Want hy (o suyuer sterr') door u bly lichts verclaren De hauen seker heeft: doch onder wegh' hy vindt Hem dickwils noch in noodt, waer door hy iet beghint Te twijfelen, en soo leeft hy in groot beswaren. Maer hy betrouwt hem vast, dat door u selsaem cracht De zee eens stillen sal; want u ghesicht versacht Haer dulle rasernij, en seer vervaerlijck tieren. En dat ghy, ionstigh, sult veranderen in soet Al 'tvoorgheleden leedt, en met ghewenschten spoedt 'tByna-versoncken Schip ter goeder hauen stieren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove