Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

IX.

Als Godts almachtigh' handt met een seer wijs bestieren Der sterren loop beroert, 'tgheeft een gheluydt soo soet, 't Welck al den hemel door een vreught oprijsen doet, Waer door d'inwoonders all' haers Scheppers grootheydt vieren. Als ghy (o schoone Maeght) met ooghe goedertieren V aensicht t'ons-waerdt keert, soo sien w'in alle goedt Verkeeren al ons quaedt, waer door hem jeder spoedt Sijn hert, ghemoedt, en siel met deughden te vercieren. En 'tis wel reden oock dat van u vloey' alleen All' 'swerelds bystandt, hulp', eer', goedt, troost in gheween, Ghemerckt dat ghy tot Godt altijdt hebt hert en sinnen. En gh'lijck de gheesten bly, en saligh het verstandt Tot 'tAlderhooghste Goedt altijdt in liefde brandt, Op eenderley manier u hier de menschen minnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove