Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

Sonet. Ter eeren vanden E. Heer, Ioost de Harduyn.

VLicht naerstigh, Musen, vlicht met u sneeu-witte handen Nieuw' Lauwer-cranssen groen, voor Harduyn vermaert, Die soo sijns moeders tael' doorluchtight en verclaert, Dat sijnen naem hem spreydt door all' de Nederlanden. en ghy, die u ghevoelt oock vierighlijck te branden Door ieuer tot de const', die ons sijn handt hier baert, Bedanckt hem, en bewijst hem eer', want hy is 'twaerdt, Die daer verbaest doet staen soo veel selsaem verstanden. Glucksaligh is hy wel, die met snell' veders licht, Van 'tEer'-loos volcksken slecht ont-vliedende 'tghesicht, Ontladen, sich verheft by 'shemels schoone scharen: En, die, van hoogh bestraelt, met sijn gheleerdt verstant, Sich heeft ghemaeckt van stael, en herden diamant, Soo sterck', en vasten schildt, voor het verloop der iaren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove