VII.
'kEn can bedwinghen niet mijn tongh' al veel te stout,
Soo veel in-vallen schoon om spreken 'thert beweghen:
Hoe wel ick haer voorwend' haer cranckheydt, en daer tegen
Gheheel oneyndelijck u schoonheydt menighfout.
Mijn hert dat heeft de schuldt, 'twelck nimmer op en houdt
Van segghen: 'tghen' ghy cont sy ommers niet versweghen.
En ghy (o groote Maeght) en laet u niet verweghen
Dat ghy soo leeghe spraeck' soo hooghen lof vertrouwt.
V edel hert en will' niet op de woorden letten,
Maer de begheerte goedt en jeuer daer voor setten,
Bedroeft, dat ick haer niet en volgh' in mijn ghedicht.
Want al hoewel de son mijn ooghen doet verflouwen,
De stoutigheydt nochtans 'tghedacht neemt haer t'aenschouwen;
Op eenderley manier volgh' ick soo groot een licht.