Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

VII.

'kEn can bedwinghen niet mijn tongh' al veel te stout, Soo veel in-vallen schoon om spreken 'thert beweghen: Hoe wel ick haer voorwend' haer cranckheydt, en daer tegen Gheheel oneyndelijck u schoonheydt menighfout. Mijn hert dat heeft de schuldt, 'twelck nimmer op en houdt Van segghen: 'tghen' ghy cont sy ommers niet versweghen. En ghy (o groote Maeght) en laet u niet verweghen Dat ghy soo leeghe spraeck' soo hooghen lof vertrouwt. V edel hert en will' niet op de woorden letten, Maer de begheerte goedt en jeuer daer voor setten, Bedroeft, dat ick haer niet en volgh' in mijn ghedicht. Want al hoewel de son mijn ooghen doet verflouwen, De stoutigheydt nochtans 'tghedacht neemt haer t'aenschouwen; Op eenderley manier volgh' ick soo groot een licht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove