V.
Alleenlijck een opslaen van u claer-blinckend' ooghen,
(Wie sal 't gheloouen oit?) alleen door een ghesicht,
Maeckt dat in my terstondt ontsteeckt een brandigh licht;
Nochtans soo is het soet dees vlammen te ghedooghen.
De hajren, die verspreydt hun door de winden booghen,
Sie ick s'in dusende gouw'ringhskens schoon verplicht;
Ick sie mijn hert oock stracks ghebonden, en vervlicht
In banden, die niet dan tot lieflijckheydt haer pooghen.
Hebb' ick somtijdts ghehoort op peyrlen, en corael,
In minnelijck gheluydt de soete woorden breken;
O soet in dat ghehoor te steruen dusendt-mael.
O ooghen, o schoon hajr, o woorden, o gheval,
O groote soetigheydt, met bitterheydt doorstreken,
Soeten brandt, soeten knoop, soete doodt bouen all',