Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

XX. Te wijl' ootmoedigh nu haer my vertoont, nu prachtigh; Nu maeckt haer gansch een ys, nu weder wordt ontsteken; Nu iaeght my onder d'aerd', nu hoogh onvergheleken

Verheft, en nu m'is soet, nu wreedigh, en verachtigh. Te wijl' mijn lijden nu gheveynst houdt, nu waerachtigh; Begheyrt nu dat ick sprek', nu stoort haer in mijn spreken; Nu gheeft my hert en moede, nu neemt, en maect besweken;

Nu leuen my belooft, wilt dat ick steru' onmachtigh; Te wijl' my nu met druck vervult, nu troost, comt geuen; Nu my benauwt door vrees', nu hop' weer comt belouen; Nu my ter hauen roept, eerst sijnd' in Zee verdreuen:

In die const sonder const all' ander gaet te bouen, En onderhoudt my soo bey tusschen doodt, en leuen, Die schoone, die mijn siel verheft, prijst, en moet louen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove