Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

Sonet. Ter eeren vanden vermaerden Guill. van Nieuwelandt, op sijne Tragoedie van Savl.

WAt is 'tdat ick hier hoor? Wat grouwsaem donder-slaghen Verduyselen mijn hooft, met sulck gherucht, iae meer, Dan dien, die daer oprees, als Iupiter den Heer Met sijnen blixems vier de Reusen heeft verslaghen? Maer wat Man sie ick daer op eenen gulden waghen Door-rijdende de locht, met grooter pracht en eer'? En wie is dien daer oock, die, toornigh, euen seer Schijnt eenen stalen punt door sijne borst' te iaghen? Dien, seydt my Phoebus, die in Heerlijckheydt daer sit, Is uwen Nieuwelandt: den and'ren daer beneuen Is Saul, die, verwoedt, sijn eyghen bloedt verghiet, Door 'tNieuwelands ghedicht vernieuwt, en wtgegeuen: En siet, hoe ick berey groen cranssen van Laurieren, Om, Nieuw'-landt, u het hooft daer mede te vercieren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove