Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

XIX. Cupido van een Bie sijnd' in sijn handt ghesteken, Te wijl' den Honigh soet hy haer t'ontnemen tracht; En voelende de pijn, die hem nu t'onderbracht,

Was droeuigh, en by nae gheheel end' al besweken. En glijck als eenen mensch, die hem sijn hert voelt breken Door den doodtlijcken pijl, hem treffend' onverwacht, Alsoo liep hy terstondt naer Venus, haer de clacht

Doen van sijn ongheval, met een bermhertigh spreken. Hoe can het wesen doch, seydt hy, o Moeder soet, Dat een dier alsoo cleyn my sulcke smert aendoet, En maeckt een sulcke wond', soo sorghlijck om ghenesen?

Waer op de schoon Goddin andtwoord', en met een vreught Ontsprekelijck heeft hem toelachende verheught, Wat wonden maeckt ghy, Soon, en oock soo cleyn te wesen?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove