Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

XV. Al 'tghene datmen seydt van Amphion, en vanden Tracenschen speelder soet, gheloou' ick nu voordaen, En van Arion oock 'tghen' datm' ons doet verstaen,

Te houden voor gewisch, en maeck' ick nu gheen schanden: Ghemerckt dat het verroer van u sneeu-witte handen 'tSelfd' in ons' herten werckt, als sy de stecken slaen, Met sulcke selsaem const', dat selfs verwondert staen

De neghen Susters wijs, in haer verheuen landen. V claer stem anders niet dan soetigheydt vertaelt; Van u vinghers wordt niet dan Hemelsch voordtghehaelt; En niet dan eer' en deught siet m'in u minlijck wesen:

In u ghesicht verschijnt den Cytereschen brandt; De liefde selfs om u is in der liefden bandt; Van all' die u aensien u gracj wordt ghepresen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove