Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

II. Wat bloemen veelderley, groen bladers, reuckigh cruydt, Met den verlanghden Stier den nieuwen tijdt vercieren? Wat achtsten Hemel traegh vertoont sijn blijde vieren,

In 't midden vanden nacht, als 't al is inder muyt? Wat gulden dagheraedt, met aenghenaem gheluydt Van voghels, en tot vreught van menschen, en van dieren, Verdrijft de duysterniss'? en wat licht goedertieren

Schenckt ons de helder Son, tot nu van alle spruyt; Die te ghelijcken sijn de peyrlen, en robijnen, Daer wt-ganck hebben door de woorden, en den lach, Door welck' in Hemels vier, wordt onsen lust ontsteken?

En die by d'ooghen claer, en Godlijck sijn gheleken, En 't aensicht, dat soo veel in mijn ghemoedt vermach, Dat 't alle aerdtsch ghedacht doet heel daer wt verdwijnen?

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove