II.
Wat bloemen veelderley, groen bladers, reuckigh cruydt,
Met den verlanghden Stier den nieuwen tijdt vercieren?
Wat achtsten Hemel traegh vertoont sijn blijde vieren,
In 't midden vanden nacht, als 't al is inder muyt?
Wat gulden dagheraedt, met aenghenaem gheluydt
Van voghels, en tot vreught van menschen, en van dieren,
Verdrijft de duysterniss'? en wat licht goedertieren
Schenckt ons de helder Son, tot nu van alle spruyt;
Die te ghelijcken sijn de peyrlen, en robijnen,
Daer wt-ganck hebben door de woorden, en den lach,
Door welck' in Hemels vier, wordt onsen lust ontsteken?
En die by d'ooghen claer, en Godlijck sijn gheleken,
En 't aensicht, dat soo veel in mijn ghemoedt vermach,
Dat 't alle aerdtsch ghedacht doet heel daer wt verdwijnen?