Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

VII. Verguldt ghecrinckelt hajr, voorhooft sneeu-wit en effen, Wijnbrauwen, wesentlijck, en zeeghbaer in 't ghesicht, Schoon ooghen van Zaphir, daer vele stralen dicht

Wtschieten, brandende de herten die sy treffen: Roosen wit ende roodt, haer houdende beneffen Malcanderen, ghelijck de liefd' haer heeft verplicht, En soo sy soetelijck haer heeft ghebracht in 't licht,

Dat all' de wereldt haer moet prijsen, en verheffen. Soete robijnen, daer men rijcke peyrlen siet, Die in tijdt openen de woorden, ende sluyten, Soo dat haer ieghelijck eert, en verlanght te naecken;

Schoon, suyuer, wit iuoir, met gheweldt, hebben buyten Mijn sinnen my ghebracht, en dees alleenlijck niet, Noch hondert redenen doen my in liefde blaecken.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove