VII.
Verguldt ghecrinckelt hajr, voorhooft sneeu-wit en effen,
Wijnbrauwen, wesentlijck, en zeeghbaer in 't ghesicht,
Schoon ooghen van Zaphir, daer vele stralen dicht
Wtschieten, brandende de herten die sy treffen:
Roosen wit ende roodt, haer houdende beneffen
Malcanderen, ghelijck de liefd' haer heeft verplicht,
En soo sy soetelijck haer heeft ghebracht in 't licht,
Dat all' de wereldt haer moet prijsen, en verheffen.
Soete robijnen, daer men rijcke peyrlen siet,
Die in tijdt openen de woorden, ende sluyten,
Soo dat haer ieghelijck eert, en verlanght te naecken;
Schoon, suyuer, wit iuoir, met gheweldt, hebben buyten
Mijn sinnen my ghebracht, en dees alleenlijck niet,
Noch hondert redenen doen my in liefde blaecken.