Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

Ander.

Een wijle tijdts ter zee den Amstel dreef hooghmoedigh, En spreydd' al-om vermaert sijn schoon verguldigh sandt; Want hy in sijnen schoodt van 'tgansche Nederlandt Behiel d'eer', en den roem in Treur-ghesanghen bloedigh. Niet min gaet nu verblijdt, en insghelijcks voorspoedigh De Scheld', verbreydend' haer nieuw' schatten t'elcken kan; Mids een Nieuw'-landsche swaen doet haeren rijcken strandt Weer-schallen door 'gheluydt van haere stem soet-vloedigh. Den eenen, om dat hy den Amsteldam besproedt, Die hem heeft voordt-ghebracht, wiens pen soo heerlijck doet Verrijsen wt het graf soo menigh helt verheuen: D'ander Antwerpen, daer ghelijck gheluydt van gheeft Die Sauls wreede doodt, en hooghmoedt ons soo heeft Vertoont, dat wy hem des sijn schuldigh lof te gheuen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove