180.
Een Rijcken Boer zijn gelt in huys niet wel vertrouwt
(In tyt van Krijgh) maar graaft het in een duyster wout.
Een arm mistroostich Mensch (uyt waen-hoop) went syn ganghen
Naa't selvig' eensaam bosch, om daar sich op te hanghen;
Comt op de selve plaats, bevint een sachter aard',
En graaft en vindt den schatt, en flucx den selven weert,
Maar laat aldaar het strop. Den boer comt haast (verholen)
Om na die plaats te sien, maar vindt syn gelt gestolen:
Hy stracx wort desperaat, en siende daar den strop,
Hy knoop het aan een boom, en hangt sich dadelick op.