32.
Han is (Voorwaar) een dapper fyn gesell'
(Dan, alsment seggen mocht, hy weet het wel)
Geleert is hy in konsten en in taalen,
Van klouck verstant: en (soud' hy niet verhaalen)
Spreeckt aardich wel. Heeft red'lick wel gereyst,
Weet sich te draaghen naa de saack vereyscht:
Is schaalick en gaauw: Weet op syn spel te letten
En naa zyn will' een Teerlinck fraay te setten;
Gewent tot Hoofsche trêken van syn Jueght:
Alleen ontbreeckt hem dat hy niet en dueght.