155.
Kees krycht een ongeluck, so lijdt hy groote pyn;
En vreest dat hy 't gesicht van een Ooch quyt sal zijn.
Een Meester inden Haach die geeft hem goede moet:
Naa groote Smert en kost, hy Kees te kennen doet
Dat 't is verlooren moeyt. Kees sich geheel ontstelt
Syn Ooch so quijt te syn, en (noch veel meer) syn geldt!
Den Meester oock vergrimt; en secht, gy lompen Loer
Dunckt u dat billick syn dat so een plompen Boer
Twee Ooghen heb sal? Daar selfs Myn Heer de Prins
En yder groote Graaf en Heer syns Hoff-gesins
Maar twee (ten hooghsten) heeft? so loopt dan (Rekel) heen,
En houdt u (zyt ghy wijs) met u een Ooch te vreên.