215.
Hans in een felle storm op Zee in grooten noodt
Van Iupiter verbidt verlossing vande Doot:
En doet beloften groot: Den Godt hem spaart het leven;
Maar Hans is arm, en kan gantsch niet aan d' Outer geven;
Maar secht, O Donder-Godt, soo 'k weér op Zee te vaaren
(Myn leven lanck) bestaa, verdrinckt my in de Baaren.