111.
Aan Groot-Hooft.Waârder (O Groot-Hooft) gelijck vormicheyt
Tusch' u verstant en kop 's uytnementheyt,
U Wijsheyt waar ons eenes eer en wonder.
Maar d'wijl men weet ghy (Bot-Hooft) syt daar sonder,
Al waar u Hooft half minder 't waar geen noot,
Want voor u herssens ist de helft te groot.