12.
Siet hoe Ingratus staastigh gaat voorby
En keert syn hooft geheel aan d'ander zy:
Hoe maackt hem doch een weynich goets hoveerdich!
Geen vorich Vrient is nu zijn kennisse weerdich
Iaa't schynt hy niemant kent, so hoogh hy siet;
Geen wonder, want hy kent hem selven niet.