53.
Twee buyren reysden 't saam van d'Hooft-Stadt London af
Tot daar de Noorde-Wijck de Stadt benaminch gaf:
Ian Packt syn Mantel op, en sentse by den Waaghen,
Maar Klaas (uyt regens vrees) wil selfs den synen draagen.
Sy Wand'len vrolick heen: maar haast wiert Klaas gewaar
Dat hem zijn opper-kleet was veel te heet en swaar.
Ian (seydt hy) ben ick geck? 'k ben nu een Mijl gekomen
En hebb' niet half genoech tot Reys-gelt mé genomen,
So doet my (lieve Ian) een Pont (of so) ter handt,
En neemt (in Borges Sté) myn Mantel tot een pandt.
Geseyt, gedaan. De Cap (op synen s'af gehangen)
Draacht Ian (onnosel) heén. Doe (met vermoeyde gangen.
En op den Vier-den-dach) sy komen by de Stadt,
Klaas geeft 't geleende gelt, en 't opperkleet hervat.