182.
Van Poëtaster. Poëtaster heft zyn Dichten
Gulden veersjes, louter fijn:
Laatse't vier ter deegh verlichten,
Sullen dan heel suyver syn.
Langebaart die koopt veel boecken,
Soo uyt d'afgelegen houcken,
Als wat t'Europe'sch quartier
Heeft geschreven op papier.
Hier mé gaat hy daaglicks pralen
Om daar door een Naam te haalen
Van te syn seer hoogh geleert,
En daar door te syn ge-eert.
Laat hem oock een hoop van Fluyten,
Harpen, Veelen, Cythers, Luyten
Coopen, daedlick sal hy syn
Een seer constich Musicyn.