76.
Hoe naar vermaagtschapt syn de schilders en Poëten!
Sy moeten (te gelijck) van alle dingen weten.
Goet Oordeel, Vindingh, Geeft, en vreemde Fantasy
Gelijck haar noodich syn, en malle drollery.
De Penn' en soo t' Pinceel, moet meesterlick een leven
En Geesticheyt aan 't werck tot eeuwich duyring geven
Soo wort een klouck gedicht bespraackte schildery,
Een wel-geschildert Stuck een stomme Poësy.