190.
Monsiuer een groot getal van Vrienden heeft te gast,
Syn Pachter (oudt en doof), op syn betaaling past
En brenght 't vervallen gelt. Men roupt hem inde Zaal,
Ick brengt u (segt Monsiuer) een glas tot altemaal
De Hoeren in 't Bordeel en Boeven in de Stadt,
Danck Heerschap (sey den Boer) ick wel y meyninch vat,
U Susters en u Broers in dese dronck gedinckt;
En al die u bestaan op haar gesontheyt drinckt.