15.
Ad Marcum.Wy hebben (soeten Vriendt) in lang' niet eens gesongen.
De Boucken schimmelen: so send ick nu mijn longen
Om ons Confraterschap te nooden in meyn tuyn,
Tot een Callation. Verwacht geen vett Capuyn,
Geen soete Vrouwen kost, Vajaanen noch Perdrijsen,
Maar wel een Hamm', een Tongh, Bolonische Sausysen,
Gepekeld' Oesterkens, een leckre Caveaar,
Anchioves, Becca-fich: niet anders (lieve Vaar)
'T en waar wat Parmesaan: om so een dronck te smaacken
(My van een Vrient vereert) die ons sal vrolieck maacken:
Een Rijnghausch edeschap: Die eens van desen Drinckt
Sal Pissen beter Wijn dan die ons Vry-man schinckt.