27.
Op Fransjens sinlickheyt.Oft Lijntgen schoon goet-aardigh was en sedich,
Bevalligh van gelaat, van gelt oock ledich,
Noch woude Frans haar niet; en dat alleen
Om dat sy hem te Poeselachtigh scheen,
En van statuyr te groot: dies (met de Iaaren)
Noch vetter werden moght, en meer verswaaren.
Nu is zijn sin op Claartjen heel gesett.
Dit dertel dinck (noch groot, noch swaar, noch vett)
Wort hem naar wensch, dat hyse vrijlick trouw;
Want dit kleyn Wijfken wordt een lichte Vrouw.