185.
Op een Dwergh. Soo Hansken een berijdt een Mier'
En valt (Als van een Kemel-dier)
Sy op zyn lijf een voet noch sett,
En tot der Doot hem schier verplett.
Op t'lest hy roert, en om hem siet,
En segt, belacht gy myn verdriet?
Jck viel soo hoogh als Phaéton
Van uyt de Wagen van de Sonn'