194.
Reynier, 'k hadd' laatstmaal d' eer u soete Vrouw te sien,
Gesprooten (so'k verstaa) van so Lof-Weerde Lien,
So schoon so wel bespraackt, van sulck een Min-saam leven.
Dat waaren my in Echt sodaan'ghe dry gegeven,
Ick gaav' den Droes wel twee (en acht het groot profijt)
Dat hy mij (staande voets) de derde maackte quijt.