176.
Als Quist-goet al syn gelt, syn Mantel, Uyr-werck, Ringen,
En wat hy (hier en daar geleent) kon 't samen bringen
Door Spel verlooren heeft; hy gaat wee-moedich heén,
Met tranen in't gesicht. Wat hebt ghy? vraagt hem een
Niet (segt hy) niet met all'. Wel hoe dan soo mismoedich?
Soo troosteloos? (als waar u alles tegenspoedisch)
Indien ghy niet en hebt? segt hy, t' gaat m'all van Ebb;
En daarom prangt my t'hert, om dat ick niet en hebb'.