Psalm XCVIII.
1.
Nu een nieuw lied tot God verhéven,
Die wond'ren deed, wiens rechterhand,
Wiens heilige arm hem heil gegeeven
En 't kenbaar heeft gemaakt in 't land,
Die voor der heid'nen oogenléden
Zig heeft in recht geopenbaard,
Gedagtig zyner gunstighéden,
En trouw, aan Isr'els huis verklaard.
2.
All' 's waerelds einden zagen de eere
En 't heil van onzen God: o gy,
Gantse aarde! juich, ja juich den Heere;
Roep uit van vreugde; zing nu bly';
Psalmzing, psalmzing; doe harpesnaaren
Met stem-, trompet-, bazuingeschal
Voor 't aangezigt des konings paaren,
Voor 't oog des Heeren van 't heelal.
3.
Bruis, zee! vol schats in de ingewanden;
O waereld! wie ze ook heeft ter woon'!
Rivieren! klapt nu met de handen;
Dat zelf 't gebergte vreugd betoon'
Voor 's Heeren ooge en aangezigte:
Hy komt, opdat by met beleid
Deeze aarde, in recht de waereld richte,
De volk'ren in rechtmaatigheid.