Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LVII.

1.

Genade, o God! genade, wyl ik om Bescherming tot uw' vleugelschaduw kom, Zo lang tot zig de elenden van my wenden. 'k Zal roepen tot den Allerhoogsten, God, Die 't werk, aan my begonnen, zal volenden.

2.

Hy zal my nog, ten smaad van 't scheurziek rot, Zyn' hulp, zyn' goed- en waarheid zenden. Ag! Ik ben benerd van leeuwen, stookebranden, Die, schoon ik hen nog mensen noemen mag, Zwaardscherp van tong, spietspuntig zyn van tanden.

3.

Verhef, o God! verhef u boven 't zwerk; Opdat al de aarde uwe opperste eer bemerk. My wierd, daar ik gebukt ging, door hen allen Een net gespreid, een' diepen kuil gemaakt Maar zy, God' lof, zy zyn 'er in gevallen.

4.

Myn hert is reed, is roemensreed geraakt; Myn Psalmgezang zal dreunen op de maat. Her op, myne eer, myn' luite- en harpesnaaren! Ik zal, ontwaakt in vroegen dageraat, Uw' lof, o Heer! den volk'ren openbaaren.

5.

Ik zal uw' lof door Psalmen doen verstaan: Want uw' genade is hémelhoog gegaan; Uw' waarheid stygt de wolken ver te boven. Verhef u, Heere! ook boven zon en maan; Opdat al de aarde uwe eer op 't hoogst mag looven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove