Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XXIV.

1. Al de aarde, met haar' ryken schat, De waereld, 't geen ze in zig bevat, Zyn 't werk van God, die ze op de meiren, Op zeen en stroomen vast deed staan. Wie zal tot zynen berg op gaan, En staan in 't heiligdom des Heeren?

2.

Die, hand- en hert-rein, in 't gemoed Noch iedelheid noch valsheid voed, Zal 's Heeren zeegen met zig draagen, En's Heilands heil, in eeuwigheid Voor Jakobs zaad, voor hen bereid Die recht God zoeken, na hem vraagen.

3.

Verheft, o poorten! 't hoofd om hoog; Duurzaamste deuren! strekt ten boog' Daar de Eerenkoning door mag treeden. Wat Eerenkoning? De Opperheer, Voorzien van 't allerscherpst geweer, De uitmuntendste in heldhaftighéden.

4.

Verheft, o poorten! 't hoofd; en gy, Duurzaamste deuren! doet als zy, Ter intreê van den Vorst der eeren. Wat Vorst der eeren is 't? wat Vorst? Der heiren hoofd, dat kroonen torst, Der Goden God, de Heer der Heeren.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove