Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XIX.

1. De heem'len en 't gespan Der sterren roemen van Gods werk ten hoogsten trap; Ook maaken, dag aan dag, En nagt aan nagt, gewag Van 's Scheppers weetenschap; Hunn' spraak word algemeen Verstaan van iedereen; Hun rigtsnoer, juist in 't passen, Maakt regt door de aarde een spoor; Hunn' rédenen gaan door Tot beide 's waerelds assen. 2. God heeft, voor 't zonnelicht, Een' tent daarin gestigt. De zon ryst, blyde, en snelt, Gelyk een bruidegom Ter slaapzaale uitgaat, om Het pad, gelyk een held, Te loopen; zy gaat uit Aan de oosterkimme, en sluit Haar' halven keer, in 't daalen, Aan 's waerelds westerend: Daar blyft niets onbekend Haar' heete en held're straalen. 3. Gods wet, volmaakt en goed, Bekeert het hard gemoed; Zyns woords getuigenis Is 't zeekerst dat men heeft, Dat slegten wysheid geeft. 't Bevel des Heeren is

Oprecht, en maakt altyd Het hert geheel verblyd. Klaar worden de oogenléden Door reinheid zyns gebods; Rein is de vreeze Gods, Bestaande in eeuwighéden. 4. Des Heeren rechten zyn Recht, waar; en 't goud, hoe fyn, Is nooit zo wensens waard; Geen honig is zo goed, Noch honigzeem zo zoet: Uw knegt, daardoor verklaard En aangemaand, beschouwt Groot loon voor die ze houd. Doch wie zou juist de paalen Van alle dwaaling zien? Doe my, reinhertig, vliên Van al 't verborgen dwaalen. 5. Maak dat uw knegt, o Heer! Gezwind to rugge keer' Van trotsheid; laat dit kwaad Niet heersen over my; Opdat ik zuiver zy, En groote zonden laat'. Doe 't spreeken met myn' mond, Door 't denken, uit den grond Myns herten voorgedraagen, O Heer! myn rots, myn stut, Die my verlost, beschut, Eens voor uw oog behaagen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove