Psalm CXX.
1.
Tot God, die hoorde na myn' béden,
Riep ik in myne angstvallighéden:
Hoed, Heer! myn' ziel van valse lippen;
Doe my 't bedrog der tonge ontslippen:
Wat zal u geeven, tot genoegen,
Wat tog de valse tong toevoegen?
Zeer scherpe pylen, uit de hand
Eens sterken, een jeneeverbrand.
2.
O wee my! dat ik om moet zwerven
Als vreemdeling in Mézechs erven;
Dat ik in tenten hebb' to woonen
Van Kédar, één van Ism'els zoonen.
Myn' ziel heeft lang, en als verlaaten,
Gewoond by die den vréde haaten:
Ik, die door vreedzaamheid meest zwyg,
Spreek naauwlyks of zy voeren kryg.