Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CXX.

1.

Tot God, die hoorde na myn' béden, Riep ik in myne angstvallighéden: Hoed, Heer! myn' ziel van valse lippen; Doe my 't bedrog der tonge ontslippen: Wat zal u geeven, tot genoegen, Wat tog de valse tong toevoegen? Zeer scherpe pylen, uit de hand Eens sterken, een jeneeverbrand.

2.

O wee my! dat ik om moet zwerven Als vreemdeling in Mézechs erven; Dat ik in tenten hebb' to woonen Van Kédar, één van Ism'els zoonen. Myn' ziel heeft lang, en als verlaaten, Gewoond by die den vréde haaten: Ik, die door vreedzaamheid meest zwyg, Spreek naauwlyks of zy voeren kryg.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove