G.
Genade, o God! genade, wyl ik om
57
Genade, o God! genade, wyl men my
56
Genade, o God! om uwe liefde alleen
51
Geef, Heer! den vorst uw recht in handen,
72
Geweldiger! wat roemt ge in 't kwaade?
52
Gezeegend zy de Heere t' aller tyden,
144
God heerst op zynen troon:
97
God is aan Isr'el immers goed,
73
God is myn licht, myn heil: wien zoude ik vreezen?
27
God is myn' rots: hoe zegt men onderwylen,
11
God! onze God! hoe heerlyk is, tot de assen
8
God regeert, dies beeft
99
God staat in Gods vergaderinge,
82
God wille in bangheid u verhooren;
20
God zy, genadig, met zyn' zeegen
67
Gy, Heer! doorgrond en kent my, ja,
139
Gy waart, o Heer! goedgunstig aan uw land.
85
Gy waart ons, Heer! ten allen tyde een toren
90