Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XLVII.

1.

Vol'kren, van wat naam, Klapt de handen t' zaam; Juicht met blyden klank, Onzen God ten dank: Want de hoogste Heer Heeft ontsaglyke eer, Heeft zyn' majesteit Door 't heelal verbreid, Volk'ren, taal, geslacht Onder ons gebragt, Dat wy ze algemeen Met den voet vertreên.

2.

Jakob, 't liefste kind Dat hy niet bezind, Diens voortreflyk deel Geeft hy ons geheel. God, de Heere, vaart Juichend hémelwaart

Met bazuingeluid; Galmt hem Psalmen uit; Zingt, psalmzingt tot eer Van den hoogsten Heer, Die, als 's waerelds vorst, De opperrykskroon torst.

3.

Zingt, zyn' naam ten prys, Met een onderwys. God regeert alom Over 't heidendom Op zyn' heil'gen troon, Elk tot straffe of loon. 's Volks hoogeed'len zyn, Trekkende éénen lyn, Met Gods volk vergaârd. God bestiert op aard' Schilden, spiets en boog, En hy zit doch hoog.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove