Psalm LXIII.
1.
Ik zoek u in den morgenstond,
O God! myn, God; tot it bevangen
Van dorst, van honger en verlangen,
In dorre streeke, op schraalen grond.
In 't Heiligdom, o Heer der Heeren!
Aanschouwde ik a vol eer en kragt.
Ik. die uw' goedheid beeter acht
Dan 't léven, zal a nu vereeren.
2.
Met myne handen uitgebreid
Zal de eer uws naams door my gepreezen,
Zal myne ziel verzaadigd weezen,
Als waar 't met smeer en vettigheid.
Myn mond zal uweu lof doen hooren
Met vreugdegalmen; ligge ik neêr
Op myne légerstéde, o Heer!
Gy komt in nagtwaak' my to vooren.
3.
Gy hebt weleer my bygestaan;
En in de schaduwe uwer vlerken
Zal ik myn' blydschap doen bemerken;
Ook kleeft myn' ziel u agteraan.
Uw' regterhand versterkt myn' lenden;
Maar zy, die staan na myn bederf,
Zy zullen, tot hun eeuwig erf,
Zig na den diepsten afgrond wenden.
4.
Men zal ze door het zwaard den strot
Afkerven, door geweld doen sneeven,
Ten deele en aas der vossen geeven.
Doch zal de koning zig in God
Verblyden: die in hem zyne eeden
Getrouwlyk zweert, heeft roemens grond;
Terwyl de lasterleugenmond
Gestopt zal zyn in eeuwighéden.