Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LXIII.

1. Ik zoek u in den morgenstond, O God! myn, God; tot it bevangen Van dorst, van honger en verlangen, In dorre streeke, op schraalen grond. In 't Heiligdom, o Heer der Heeren! Aanschouwde ik a vol eer en kragt. Ik. die uw' goedheid beeter acht Dan 't léven, zal a nu vereeren.

2.

Met myne handen uitgebreid Zal de eer uws naams door my gepreezen, Zal myne ziel verzaadigd weezen, Als waar 't met smeer en vettigheid. Myn mond zal uweu lof doen hooren Met vreugdegalmen; ligge ik neêr Op myne légerstéde, o Heer! Gy komt in nagtwaak' my to vooren.

3.

Gy hebt weleer my bygestaan; En in de schaduwe uwer vlerken Zal ik myn' blydschap doen bemerken; Ook kleeft myn' ziel u agteraan. Uw' regterhand versterkt myn' lenden; Maar zy, die staan na myn bederf, Zy zullen, tot hun eeuwig erf, Zig na den diepsten afgrond wenden.

4.

Men zal ze door het zwaard den strot Afkerven, door geweld doen sneeven, Ten deele en aas der vossen geeven. Doch zal de koning zig in God Verblyden: die in hem zyne eeden Getrouwlyk zweert, heeft roemens grond; Terwyl de lasterleugenmond Gestopt zal zyn in eeuwighéden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove