Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XXX.

1.

'k Zal u verhoogen, Heer, myn God! Die my verhoogde, en 's vyands rot Niet over my verblyden deed. Ik riep tot u; myn herteleed Is voort door uwe hulp geneezen, Myn' ziel uit angst des grafs verreezen.

2.

Gy waart myns lévens vaste zuil, Dat ik niet ben gedaald ten kuil'. O, gunstgenooten van den Heer! Psalmzingt hem; meld zyn' lof en eer, Zyn' heiligheid en heilbedryven; Dat ze eeuwig in geheugen blyven.

3.

Gods gramschap duurt maar voor een' poos; In goedheid leeft God eindeloos. De nagt genaakt met naar geween; Maar 's morgens is de vreugd gemeen. Ik sprak, in voorspoed, deeze réden: ‘Nooit zal ik wank'len in myn' schreeden.

4.

Want, Heer! door uw' goedgunstigheid Hebt gy den berg my vast geleid; Maar toen gy 't aanzigt dekte en weekt Wierd ik van doodsen schrik verbleekt. Ik riep of gy zoud wéderkeeren; Ik bad en smeekte u, Heer der Heeren!

5.

Wat winst, wat voordeel geeft myn bloed? En dat ik Grafwaarts daalen moet? Zal 't stof u looven? Zal het stof Uw' waarheid staaven tot uw' lof? Hoor, Heer! en toon my tog genade. God! Helper! help eer 't zy te spade.

6.

Heb dank: gy hebt myn weegeklag Veranderd in een' reije en lach, Myn' zak ontbonden, my net vreugd Omgord: opdat ik, dus verheugd, Psalmklanken zend' tot u na boven. O God! ik zal u eeuwig looven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove