Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LXXXVIII.

1.

O God myns heils! by dag en nagt Aanroep ik u met angst en schroomen; Laat myne béde voor u komen; Neig, Heere! uwe ooren tot myn' klagt': Myn' ziel is zat van ramp en kwaalen; Myn léven dreigt na 't graf te daalen.

2. Men telt my by die kuilwaarts af- En ingaan, die in kragt bezwyken; 'k Ben afgezonderd by de lyken, En als verslaag'nen in het graf, Die uw geheugen zyn ontgleeden, Die van uw' hand zyn afgesneeden.

3. Gy hebt my in den kuil geleid, In duisternissen, diepe poelen, Uw' grimmigheid my doen gevoelen, Uw' baaren over my verspreid, Myn' welbekenden my doen schuwen, Ontylieden, ja van my doen gruwen.

4. Ik ben beslooten, kan niet uit; Myne oogen treuren om de plaagen Die my verdrukken; gantse dagen Is tot u, Heer! myn angstgeluid. lk strek my tot u uit in nooden: Zult gy ook wonder doen aan dooden?

5. Of zullen de overleed'nen weêr Verryzen? uwen lof afmaalen? Uw' goedheid in het graf verhaalen? Uw' trouwheid in 't verdérf? o Heer! Uw' wond'ren in het duister weeten? Uw recht in 't landschap van vergeeten?

6. Doch roep ik tot u; 's morgens gaan Myn' béden op: waardoor bewoogen Dat gy myn' ziel verstoot? uwe oogen Voor my verbergt? van jongs of aan Ben ik bedrukt, ter dood rampspoedig, Vol van vervaarnis, twyffelmoedig.

7. De hitte uws toorns gaat over my; Uw' schriklykhéden, die my eeven Als water staâg omstaan, omgeeven, Doen my verkwynen; nog hebt gy Myn' vrind, myn' medgezel, bekenden, In 't duister, van my af doen wenden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove