Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XXXVI.

1.

Des booswigts overtreeding spreekt In myn gemoed, dat hem ontbreekt De waare vrees des Heeren: Hy vleit zig in zyn eigen oog, In plaats van op een vroom vertoog Van onrecht af te keeren. Onrecht en snoô bedriegery Zyn in zyn' mond bestorven, hy Verleent de deugd geene ooren; Te bedde smeed hy 't overleg Om voort te gaan den kwaaden weg, En de ondeugd na te spooren.

2.

Uw' goedheid, Heer! gaat 's hemels trans, Uw' waarheid aller sterren glans, Uw recht 't gebergt' te boven; Uw oordeel gaat dies buiten peil Dat u, voor waar behoud en heil, En mens en beest moet looven.

Hoe dierbaar is uw' goedheid, God! Waarom ook 's mensen kind'ren tot Verschuiling t' uwaarts komen: Zy worden dronken van het vet Uws huizes, en gy drenkt ze met Uw' weekle- en wellust- stroomen.

3.

Want 's lévens bron is by u, 't licht, Uws aanschyns straalt in ons gezigt: Strek over uwe knegten, De kenners Gods, uw' goedheid uit; Geef uw' gerechtigheid ten buit En erfgoed der oprechten. Gedoog niet dat der boozen voet My trappe, of dat ik zwerven moet', Door 's boozaards av'rechts wyzen. Aldaar, aldaar zyn ze eens vooral Die 't onrecht doen, ten laagsten val, En kunnen nooit verryzen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove