Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm V.

1.

Verhoor, o Heer! myn' stem en réden; Verstaa myns denkens einde en slot: Want u, myn Koning en myn God! Zal ik eerbiedig teegen treeden Met myn' gebéden.

2.

Gy zult me een nugter oor vereeren Als ik, met toeleg, op u wagt: Want wyl gy geen godloosheid acht, Zal nooit de booze, o Heer der Heeren! Met u verkeeren.

3.

De ontzinden zullen voor u vlugten; Gy haat die zig tot onrecht spoên; Gy zult de leugenaars verdoen, Bedriegers, bloedvergieters tugten En hen doen zugten.

4.

Maar door uw goedheid, zonder paalen, Zal ik uw huis en heiligdom Met eerbied nad'ren; hoed tog, om Myn laagen-leggers en hun smaalen, Myn' voet voor dwaalen.

5.

Daar is niets rechts in hunne monden; Verderving is hun innig deel; Een open graf is hunne keel; Op hunne tong is te alle stonden Gevlei gevonden.

6.

Wil hen, o God! dan niet verschoonen; Veriedel eens hun overleg; Ja dryf ze on al hun boosheid weg: Nadien ze zig weêrspannig toonen, Met u te hoonen.

7.

Maar laat door aller eeuwen kringen Tot vreugdgejuich zyn opgewekt, Ja laat, omdat gy ze overdekt, De waare vroomen in u zinger En vrolyk springen.

8.

Gy zult uw' zeegen mild doen daalen Op hem die recht is van gemoed; Gy zult hem met uw lieflyk goed, Als waar 't met een rondas, doen praalen, En gunst behaalen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove