Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LXIV.

1.

Hoor, Heer! myn' stem in klagten uiten; Behoed myn léven voor den schrik Des vyands, voor den loozen strik En raad der boozen, voor het muiten Der valse guiten;

2. Die met hunn' tong, zwaardscherp gesleepen, Den vroomen heimlyk, in der yl, Een bitter woord, gelyk een' pyl, Toeschieten, nooit van vrees beneepen Of aangegreepen

3. Zy sterken zig in 't booze, en spreeken Van strikken ter verraadery': Wie zal ze merken? zeggen zy, Die 't snoodst doorsnuff'len en besteeken Met schalke streeken;

4. Doorzoekende alles tot hunn' laagen, 's Mans binnenst' zelf en 's herten grond. Maar God zal hen in korten stond Met pylen schieten, hen zyn' plaagen Te lyve jaagen.

5. Hunne eigen' tong zal hen verdoemen; En alle mensen, die hen zien, Van vrees getroffen, zullen vliên, En 's Heeren werk met pryzen, roemen, Verstandig noemen.

6. De oprechten zullen zig verblyden In hunnen Heere, en vast op hem Betrouwen; alter vroomen stem En herten zullen t' aller tyden Gods eer belyden.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove