Psalm XXXII.
1.
Volzaalig mens! wiens zonden zyn vergeeven;
Wiens onrecht niet by God is aangeschreeven;
In wiens gemoed zig geen bedrog onthoud.
Ik ben, wanneer ik t' kwaad verzweeg, veroud
Van beend'ren, in myn brullen gantse dagen:
Want uwe hand heeft dag en nagt met plaagen
Myn hoofd gedrukt, waardoor myn sap, verkeerd
In zomerdroogte, als 't kruid is uitgeteerd.
2.
Maar toen ik, Heer myne ongerechtighéden
En zonden, als ik zeide, u heb beleeden
En bloot gesteld, schold gy myn' schulden kwyt:
Dies ieder vroome, in rechten vindenstyd,
U bidden za1; van overloop der stroomen
Onaangeraakt. Ik ben, den nood ontkomen,
Door God bewaard, tot blydschap opgewekt.
Hoor dan, o mens! tot wien myn' leering strekt.
3.
Ik zal u raân; myn oog zal u bestieren.
Wees niet als 't paard, of, 't domst van alle dieren,
Een eezel, dien men breidelt met den toom;
Opdat by niet, weêrbarstig tot u koom'.
Der boozen lot is enkel smert en plaagen;
't Goede is voor hem die Gode wil behaagen.
Rechtvaardigen! welaan dan, zyt verheugd
In uwen Heere. Oprechten! zingt met vreugd.