I.
Ik heb den Heere in taai geduld verwagt;
40
Ik laat myne oogen bergwaarts gaan;
121
Ik riep tot God met myne stem;
142
Ik roep u aan, Heer! spoed uw' schreeden;
141
Ik wend tot u, die in den hémel zit,
123
Ik zal in stilte uw' lof afmaalen,
65
Ik zal op 't hoogst, myn God en koning t' zaam!
145
Ik zal u, Heer! myn' sterkte, hertlyk minnen.
18
Ik zal uw' lof uit 's herten grond
138
Ik zend myn' stem tot God, na boven:
28
Ik zoek u in den morgenstond,
63
In Juda is de Heer bekend,
76