Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CXLII.

1.

Ik riep tot God met myne stem; Ik bad den Heere en smeekte hem; Myn' klagten stortte ik voor hem uit; Ik bragt voor hem myn noodgeluid.

2.

Wanneer ik was beklemd van geest Is u myn pad bekend geweest: Zy lagen op den weg, dien ik Zou wand'len, een' verborgen' strik.

3.

Ik zag, hoe zeer regtsom gezien, Geen' die my kenden, geen ontvliên, Niet één ook heeft myn' ziel verzorgd; Dies riep ik: Heer! gy zyt myn borgt:

4.

Gy zyt myn toevlugt, lévenslot: Geef acht op myn geschrei, o God! Red my, die nu, zeer uitgeteerd, Van myn' vervolgers ben verheerd.

5.

Voer myne ziel uit boeije en band, Dat ik uw' naam lofzinge in 't land: De oprechten zullen om my staan, Wanneer gy my hebt welgedaan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove