Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LXXI.

1.

O Heere! op u betrouw ik veilig; Maak dat ik nooit besterf', Of bloos' door schaamteverf'; Red my, naer 't recht, by u zo heilig Behouden; hoor myn' béden; Verhaast ter hulpe uw' schreeden.

2.

Wees my een' rots, om daar verhéven Te woollen, toe te gaan: Want om my by te staan En redden hebt gy last gegeeven; Gy zyt my, uw' verkooren', Een' steenrots, burgt en toren.

3.

Vryd my van 's boozen hand en kragten, Van die verkeerdheid doet, En 's trotsaards euvelmoed: Gy zyt de grond van myn verwagten Op wien ik myn vertrouwen Van jongs aan wilde bouwen.

4.

Ik steunde op u, van moeders lyve, Den buik of aan, daar gy De uithelper waart van my: Uw lof, o Heere! zy en blyve. 'k Was veelen als een wonder: Doch sterkt gy my byzonder.

5.

Doe van uw' lof myn' mond gewaagen; Maak my gestaâg bereid Tot uwe heerlykheid; Verwerp my niet, stokoud van dagen; Verlaat my niet in de uure Van 't slyten der natuure.

6.

Want, my ten laster, die my haaton En na myn' ziele staan Zyn t' zaam, om raad to slaan; Zy zeggen: God heeft hem verlaaten; Jaagt, grypt hem zonder schroomen: Hy zal geen' hulp bekomen.

7.

Doch wees niet ver, o Heer der Heeren Maar t' myner hulp gereed; Laat al die, tot myn leed, My teegen staan beschaamd verteeren Die my ten kwaade strekken Met schande en smaad bedekken.

8.

Ik zal myn' hoop steets op u stellen; Myn mond zal meer en meer Uw' lof, oprechtheid, Heer! Uw heil zelf al den dag vertellen; Hoewel ik de getalen Niet wet of kan verhaalen.

9.

'k Zal gaan in 's Heeren mogendhéden, Uw recht gericht alleen Vermelden, anders geen. Gy leerde my van jongs af treeden, O Heere! op rechte spooren; Ik doe uw' wond'ren hooren.

10.

Verlaat my niet, nu grys van hairen, Of laat me uw' arm en magt Aan dit en 't naageslacht, Ja uw' gerechtigheid verklaaren, Die, naast uw' groote daaden, Stygt boven perk en graaden.

11.

Wie is uw weêrgaê? God der Goden! Gy zult my, dien gy leed En angst verduuren deed, Herleeven doen als uit de dooden, Weêrkomen doen na boven Uit 's aardryks diepste klooven.

12.

Zy zult myn' grootheid meer bedeelen, Met troost rondom my staan; Ik zal uw' lof voortaan, Uw' trouwe op luite en harpe speelen; 'k Zal u met Psalmenklanken, O heilige Isr'els! Danken.

13.

Myn' lippen zullen, juichend, Psalmen, Myn' ziel, door u bevryd, Zal, met myn' tonge, altyd Alle uw' gerechtigheid uitgalmen: Wyl zy, die 't kwaad my brouwen, Beschaamd, hunn' schande aanschouwen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove