Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LXXXIII.

1. Zwyg niet, wees niet als doof, o God! Ei wees niet stil: uws vyands rot Maakt groot getier; uw' haaters steeken Den kop op, smeeden schalke streeken Tot leed uws volks; zy zyn beraaden Om uw' verborgenen te schaaden.

2. Zy zeiden: tsa, verdelgt ze al 't zaam; Doet Isr'el weg, vergeet zyn' naam: Zy sloegen raad in 't hert, verbonden Zig teegen u met hand en monden, Daal Edorns tenten toe verscheenen, Met Ism'el, Moab, Hagareenen;

3.

Met Gebal, Ammon, Amalek, En Palestine en 't ruim bestek Van Tyrus, Assur daar beneeven, Lots kroost ten arm: o straf hen eeven Als Midians en Sis'raas landen, Als Jabin zelf, aan Kizons stranden,

4.

Die to Endor zyn gemaakt tot slyk: Maak hen, hunn' prinsen zelf, gelyk Met Oreb, Seëb; doe hunn' grooten Als Seba, Salmuna neêrstooten, Die zeiden: tsa, nu zonder schroomen Gods woonsteên ons ten erf genomen.

5.

O God! maak ze als een bol die draait, Als stopp'len, door den wind verwaaid; Doe hen als 't vuur ten woude uitbreeken, Gelyk de vlam 't gebergte ontsteeken; Uw onweêr tref ze alle oogenblikken; Uw draaiwind doe hen staâg verschrikken;

6.

Maak hen vol schande, opdat ze, o Heer! Eens zoeken nor uw' naam en eer; Beschaam, verschrik ze in eeuwighéden; Doe hen, schaamrood, vergaan, vertreeden; Opdat ze, uw' grotten naam ter waarde, U achten Opperbeer der aarde.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove