Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

De Lofzang van Sacharias.

1. Wel hoog geloofd zy Isr'els God, de Heere: Wy1 hy zyn volk bezogt, en, t' zyner eere, Verlossing bragt, een' hoorn der zaaligheid Ons opregtte in knegt Davids huis; te weeten Zo als by, door zyn' heilige Profeeten, Van 't aanbegin der waereld, heeft voorzeid

2.

Een' redding uit de handen van partyen, Van allen die ons haaten en beny'en; Opdat de Heere aan onzer Vad'ren stam Barmherting waare, en zyns verbonds gedagtig Zou' weezen, en des eeds, dien hy, zo kragtig Gezwooren heeft, aan vader Abraham.

3.

Ten einde om ons genadelyk te geeven, Dat wy, verlost, en 's vyands hand onthéven, Hem zonder vrees' ten dienste zouden staan; Dat wy voor hem in heiligheid en zeeden Voortwandelen, en in gerechtighéden Geduurende al ons lévee zouden gaan.

4.

Gy, kindeken! zult, onder de Profeeten, Nu een Profeet des Allerhoogsten heeten: Nadien gy voor des Heeren aanschyn zult Voorheen gaan, om zyn' wégen te bereiden, De zynen t' zaam ter zaaligheid te leiden Door 't kennen der vergeeving' hunner schuld;

5.

Door onzes Gods inwendig médedoogen, Met welk ons nu het oosten uit den hoogen Bezogt heeft, om zig te openbaaren aan Dc geenen die in duist're klooven, spleeten En schaduwe der dooden zyn gezéten, En ons te doen op 't pad des vrédes gaan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove