Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm CII.

1.

Wil, o Heer! myn' béde hooren; Myn geroep kom' tot uwe ooren; Berg voor my uw aanschyn niet; Neig uw oor in myn verdriet t' Mywaarts; hoor myn roepen, klaagen, Haast, verhoor my: want myn' dagen Zyn als rook vergaan, myn' beenen Als een haard verbrand, verdweenen.

2.

't Hert, verdord en neêrgesmeeten Als het gras, vergat ik te eeten; Aan myn vlees ook kleeft het been Door myn zugten en geween: Dies ik een roerdomp moet schynen, En een Steenuil der woestynen. Ik ben nu als op de daken 't Eenzaam mosje, moê van vaaken.

3.

Nu partyen my onteeren, Raazers stadig by my zweeten Eet ik asch als brood, en pleng In myn' dranken traangemeng, Heer! van uw' verstoordheids wégen, Van uw' toorn, in top gesteegen: Wyl gy my verhieft, en wéder In het voetzand wierpt ter needer.

4. Als een' schaduw in haar wyken Zyn myn' dagen aan 't bezwyken. Ik verdor als gras op 't land; Maar, o Heer! gy blyft in stand, Eeuwig, leevende in gedagten Van geslachten tot geslachten. Gy zult opstaan met erbermen, Over Sion u ontfermen:

5. Want de tyd, u voorgenomen t' Haarer gunste, is nu gekomen. Uwe knegten hebben in Haare steenen lust en zin, Met haar puingruis médelyden. Heid'nen zullen in die tyden Vreezen voor uw' naam, o Heere! Alle vorsten voor uwe eere.

6. Als door God, in eer' verscheenen, Eens herbouwd zyn Sions steenen; Als hy eens op het gebéd Van die gants ontbloot zyn let,

Dat het zy van smaad onthéven; 't Zal den naazaat zyn beschreeven; En het volk, hiernaa te baaren, Zal des Heeren lof verklaaren:

7. Wyl uit 's hémels heilighéden Door den Heere op aard' beneeden Zal aanschouwd zyn, en gehoord Der gevang'nen klagt; om voort Doodverweez'nen los te maaken; Opdat elk met eerespraaken 's Heeren naam in Sion noeme, In Jeruzalem hem roeme;

8. Als de volk'ren, t' zaam vergaderd, Koningkryken zyn genaderd, Om den Heer ten dienst te staan. Hy deed myne kragt vergaan, Heeft ze op weg verdrukt, verslaagen; Hy verkortte myne dagen: Neem my, Heer! niet weg in 't midden Myner dagen, was myn bidden.

9. Van geslachts geslachten waaren, Zyn en blyven uwe jaaren; Voormaals hebt gy de aard' gegrond; En de hémelen in 't rond Zyn het werk van uwe handen, 't Welk vergaan zal en verbranden: Wyl gy zult uw' stand behouden, Zy gelyk een kleed verouden,

10.

Zy door u veranderd weezen, Als gewaad, niet als voor deezen, Gy, doch steets dezelve, zal Eind'loos zyn uw jaarental. Uwer vroome knegten zoonen Zullen veilig by u woonen, En hun zaad zal voor uwe oogen Vast bevestigd blyven mogen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove