Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XXXIV.

1. Myn mond zal nu den naam Des Heeren looven immermeer; Myn' ziel zal roemen in den Heer; 't Zagtmoedig volk al t' zaam Zal 't hooren, bly' van geest. Welaan; bier is een' zee van stof; Laat ons des Heeren naam en lof Verheffen, elk om 't, meest. 2. Ik heb den Heer gezogt; Hy hoorde, en deed my 't kwaad ontvliên. Zy hebben op den Heer gezien, En liepen, op hunn' togt, Gelyk een snelle vliet; Van schaamte of schande nooit gestoord. God heeft des armen roep gehoord, Waardoor hem 't leed verliet. 3. Der eng'len leegermagt Omringt en red het vroom gemoed; Kom, smaak en zie Gods lieflyk goed: Wel hem, die op hem wagt! Vreest, heiligen, vreest God: De leeuw, verhongerd, brult door 't woud; Maar die God vreest en hem betrouwt Heeft nooit een armlyk lot. 4. Komt, kinders, hoort den raad, Dien ik tot 's Heeren vreeze geef. Wie wenst dat by veel' jaaren leef', Verrykt van goed en staat?

Houd tong en lip in band Zo dat 'er nooit bedrog af gaa; Myd kwaad; doet goed; zoekt vlytig na Den vréde, als 't waardste pand. 5. God ziet de oprechten aan; Hy hoort hun roepen en geklag, Maar toont zyn allerstrengst gezag Aan hen die 't kwaad begaan; Zo dat hy ze, als te snood, Op aarde in 't vuil vergeetboek stell'. De vroome roept, God hoort het snel, En helpt hem uit den nood. 6. De Heere is zeer naby Gebroken' herten; by behoed Verslaagenen van geest en moed; En schoon de oprechte zy Van ramp als overstort, God helpt hem uit, bewaart zyn' leên, En beend'ren, zo dat zelf niet één Van die gebroken word. 7. De boosheid zelf zal 't zwaard Der boozen zyn, dat hen verslaat; En die de oprechten hoont of haat Zal schuldig zyn verklaard. God zal van 't jok ontslaan Al die hem dient, zyn' wetten houd; En elk, die recht op hem betrouwt, Zal schuldloos voor hem staan.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove