Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm XXVI.

1. Heer! richt naar recht uw' knecht: Hy wandelt gants oprecht, En zal, vertrouwende op uw' magt, Niet wank'len in zyn' schreeden. Proef, toets my, Heer! neem heeden Myn hert en nieren scherp in acht. 2. Want, wat ik heb gedaan, Ik zie uw' goedheid aan, En wandel in uw' waarheid voort. Ik zit niet by de snappers, Geveinsden, agterklappers, Daar alle valsheid word gehoord. 3. Ik haat der boozen raad, Vergad'ring, praat en daad, En zet my nimmer by hen neêr. Ik wasch, voor alle schanden, In onschuld myne handen, En gaa rondom uw' altaar, Heer! 4. Om, tot uw' lof en dank, Op te off ren mynen klank, In 't melded van uw' wonderheên. 'k Heb lust, tot uwe wooning En plants van eerbetooning, Den Tabernakel, in te treên. 5. Raap myne ziel, o God! Niet weg met 's zondaars rot, Bloedhonden, tuk op roof en moord; Die hunne handen styven

Tot alle snoô bedryven, Door giften en geschenk bekoord. 6. Ik wandel heel oprecht, Ei, maak dan dat uw knegt Door uw' genade zy bewaard: Hy staat op effen' spooren, En zal Gods lof doen hooren, Daar immer Vroomen zyn vergaard.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove