Skip to content
1733

Davids psalmen

Jan Belle

Psalm LXXVI.

1.

In Juda is de Heer bekend, Heel Isr'el eert Gods naam en God: Hy heeft in Salem zyne tent, En woont op Sions burgt en slot, Daar hy 't geschut, met vuur ontstoken, Schild, zwaard en krygstuig heeft verbroken.

2. Gy steckt doorlugtig, heerlyk 't hoofd Ver boven 't roofgebergte, en maakt Dat ook de stoutsten zyn beroofd En in een' fluimerslaap geraakt; Dat alle dapp'ren weêrloos stonden, Nadien ze aan zig geen' handen vonden.

3. O, Jakobs God! uw schelden, slaan Deed paard erg wager slaapen; gy, Gedugte! wie tog zal bestaan Als 't vuur uws toorns aan 't branden zy? Toen gy uw oorded openbaarde Van 's hémels transen, vreesde de aarde:

4. Zy vreesde en stilde, toen de Heer Kwam richten, 't volk van zagt gemoed Ter redding': wyl 't u strekt tot eer' Als 's mensen gramschap vinnig woed; Gy zult de rest der grimmighéden Opbinden, in 't gareel doen treeden.

5.

Doet uwen God geloften, ja Voldoet ze, all' gy die om hem staat: Men brenge hem geschenken na Die 's mensen hert met vrees belaad, Der vorsten geest afsnyd als druiven, En hen angstvallig doet verstuiven.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Davids psalmen · Jan Belle · Poetry Cove